Van Kooten over Niets Doen
Wanneer men, als de onderhavende, een directeursfunctie bekleedt met veel congressen, personeel ontslaan, lunches, calorieën, sociale plichtpas en spreekbeurten voor te bereiden, dan gaat men de weinige vrije tijd voor zichzelf allicht uit zichzelf proberen te halen, omdat men zichzelf het meeste voor de hand ligt. Dus men begint zich op douchen en baden te besparen, want die minuten laten zich béter besteed aan door middel van Werkelijk Nietsdoen wat broodnodige extra chromosomen naar het Hoogspanningshoofd te delegeren. Baden kan nog wel als het kopje Nietsdoen worden betiteld, tot op zekere hoogte — namelijk de hoogte waarop de vuilgrens aan de binnenkant van het email zich koekt, die omgekeerd evenredelijk is als de Eureka van het verplaatste gewicht in water aan eigen kilogrammen mens, en daar dan gezichten in zoeken, maar Douchen blijft Doen en in mijn zeepogen de geuzenterm Nietsdoen niet waard. Daarom doe ik één keer per week douchen en geen baden om daarmee surplus-tijd tot Nietsdoen hebben te kweken.
Uit: Kees van Kooten (1977), Koot droomt zich af, Bezige Bij.
Discussion Area - Leave a Comment